David Davidse: "Wat moest ik met die rotgitaar?"
"Mijn vader heeft mij één of twee keer gitaarles gegeven. Dat is geëindigd in mijn absolute hekel aan gitaren. Hij liet me oefenen op een jazzgitaar met stalen snaren. Hij dacht: mijn zoon zal dat rap leren. Hij was geen geduldig man. Hij kon het, dus ik moest het ook kunnen. Maar ik heb brede handen met korte vingers en ik kreeg die akkoorden niet goed ingedrukt. Dan duwde hij op mijn vingers tot ik bloedblaren had.
Daarna heb ik nog les gekregen van Wannes Van de Velde, op een gitaar met een smallere hals en zachtere snaren. Maar uiteindelijk ben ik piano gaan studeren. Ik heb tien jaar zangles gevolgd en later zelf zangles gegeven.
Eigenlijk ben ik veel meer met zingen opgegroeid dan met gitaren. Mijn moeder zong prachtig. Zij heeft elf jaar samen met mijn vader opgetreden. Thuis vormden we vaak een driestemmig koortje. We waren dan de Andrews Sisters of de Pointer Sisters, een kleine familie Von Trapp. Mijn stem brak ook nooit, ze werd gradueel lager. Toen ik twaalf of dertien was, had ik zelfs ongeveer dezelfde stem als mijn moeder.
Zestien jaar geleden stierf mijn vader en kreeg ik deze gitaar in mijn schoot geworpen. Mijn eerste gedachte was: wat moet ik met die rotgitaar? Maar tegelijk heeft ze natuurlijk iets sacraals. Het is tenslotte dé ‘Gitaar van Nonkel Bob’. Al zijn er in feite twee. De andere is cadeau gedaan aan Johan Leysen, de zoon van Bert, de directeur van de VRT.
Mijn vader had beide gitaren eind jaren veertig laten bouwen door een gitaarmaker uit Verviers. Voor die tijd was het een schandalig dure aankoop. Hij koos dit model voor de klank. Op kinderoptredens was er meestal maar één microfoon voorzien en die gitaar moest luid genoeg zijn om de zaal te vullen.
Hij heeft er zijn hele leven mee gespeeld. Hij noemde haar altijd 'mijn gitarreke'. Over zichzelf zei hij: ik ben een manneke met een gitarreke dat veel chance heeft gehad. Hij relativeerde voortdurend zijn eigen succes. Mijn neef en ik zagen dat anders. 'Jammerklank', zeiden we tegen elkaar als hij weer begon te spelen.
Deze gitaar en ik zijn nooit echte vrienden geworden. Daarom staat ze vandaag bij fotograaf Dieter Bacquaert. Daar zit ze beter dan bij mij want een gitaar moet bespeeld worden. Ik besef wat ze betekent voor veel mensen. Maar voor mij blijft ze vooral die rotgitaar van mijn vader. Ik wil ze gerust verkopen als er iemand geïnteresseerd is.”