“Het is misschien geen indrukwekkende gitaar. Maar in het creatieve proces is het mijn lotgenoot.”
“Muzikanten denken dat ik een Martin-man ben en dat klopt ook wel. Mijn eerste Martin kocht ik 26 jaar geleden. Die heeft met mij de hele wereld gezien, tot in Marokko bij 52 graden. Ze lag in frennen uiteen, nog goed voor het museum.
99% van wat ik doe, gebeurt thuis of in de studio. Voor mij is een gitaar een instrument voor songwriting. Op zo’n Martin moet je echt werken, de dikke snaren helemaal indrukken. Ik ben geen virtuoos. En aan componeren hoef ik geen tenniselleboog over te houden.
Dan gaat het over balans. Een gitaar mag niet overdrijven. Niet te veel bas, niet te veel hoge tonen. Want dan hoor je alleen nog de gitaar. Ze moet in het midden blijven. Een grote lel mag niet dood klinken, maar ook niet alles overnemen. Ze moet een lied dragen. Meer niet.
Een goeie gitaar duwt je ook ergens naartoe. Het spiergeheugen in je handen doet dingen die je niet gepland had. Je begint te zingen en er komen akkoorden. Dat helpt om liedjes te maken. In dat creatieve proces is een gitaar een lotgenoot.
Toen mijn oude Martin naar het museum mocht, zocht ik dus een allround gitaar. In 2016 stond ik in de Guitar Bar in Antwerpen en ik dacht: dit wordt een ingewikkelde zoektocht. Tot Walter Broes zei: ‘Ik weet welke gitaar jij nodig hebt.’ Dat bleek deze Collings. Hij noemde het een poor man’s Martin. Een goeie Collings komt dicht bij een goeie Martin. En een heel goeie Colligns is beter dan een middelmatige Martin.
Ik had nog nooit van Collings gehoord. Maar die Collings doet wat ik nodig heb. Je kan erop tokkelen en strummen en ze blijft overeind. Ze knalt niet, maar ze zakt ook niet in elkaar. Dat is zeldzaam. Ik hoef niet zitten zoeken naar het juiste instrument. Ik pak die Collings en ik kan beginnen.
Met die Collings ben je niks in de Lotto-Arena of op de Lokerse Feesten. Live heb ik nu een Martin om te strummen -die geeft ook andere instrumenten wat ruimte- en eentje om te tokkelen -daar vul je op je eentje de hele PA mee. Ik heb goeie connecties als Alain Bokken moeten inzetten om vervanging te vinden. Hij trekt zelfs naar de fabriek om ze te kopen.
Bij opnames heb je niet altijd de beste gitaar nodig, maar wel de juiste. Voor ‘Zeester met koffie’ bijvoorbeeld gebruikte ik een Takamine Sante Fé die bijzonder dun klinkt. En in ‘Brood voor morgenvroeg’ kan je deze Collings horen als de gitaar die niet mag opvallen. Het is misschien geen indrukwekkende gitaar. Maar het is wel de gitaar waarop mijn muziek gebeurt.
Op de achtergrond van de foto zie je nog een gitaar, die waarmee ik mijn zoon Pablo als jongetje wou overtuigen om gitarist te worden. Alles begint met een kindergitaar, mijn eigen muzikantenleven ontstond toen ik op 5-jarige leeftijd van de Sint een gitaar kreeg. Maar Pablo speelde mij onbekende composities op dat instrument en toen ik er bezorgd mijn buurman en goede vriend Jan Leyers bij haalde, zei die: ‘We zitten met een jazzer’. Dat was even slikken. Met Pablo is gelukkig alles goed gekomen, hij speelt nu piano.”